Introductie
Na de succesvolle ontwikkeling van Farmdesk Climate voor de zuivel– en vervolgens de aardappelsector, presenteren we nu ook een uitbreiding naar de vleesveesector. Van alle landbouwkundige sectoren ondervindt de vleesveehouderij allicht de grootste maatschappelijke druk wanneer het gaat over klimaatimpact.
In de Europese Unie is de totale landbouwsector verantwoordelijk voor ongeveer 11% van de totale uitstoot van broeikasgassen (uitgedrukt in CO2-equivalenten) [1]. Binnen de landbouw leveren de vleesveehouderij en de melkveehouderij de grootste bijdragen, elk met een relatief aandeel van 29% [1].
Waar zuivelverwerkers wereldwijd programma’s hebben opgezet om hun voetafdruk te verlagen, valt op dat de vleesveesector hierin enigszins achterop loopt. Dit heeft vermoedelijk te maken met een minder geconsolideerde verwerkende sector en met het gebrek aan sterk herkenbare “merken” in het winkelrek.
In de vleesveehouderij zijn drie broeikasgassen van belang: koolstofdioxide (CO2), methaan (CH4) en lachgas (N2O). Een belangrijke emissiebron is enterische fermentatie: het proces waarbij micro-organismen in de pens van herkauwers voedingsstoffen afbreken en methaan vrijkomt. Daarnaast treden op een vleesveebedrijf lachgasemissies op bij mestopslag en bemesting van het land, en CO2-emissies bij het gebruik van brandstoffen (voornamelijk tijdens landwerk) en bij bekalking van gronden.
Om een volledig beeld van de koolstofvoetafdruk te verkrijgen, worden ook emissies uit aanvoerbronnen meegenomen (vaak aangeduid als “cradle to farm gate”). Dit betreft vooral de productie van aangekocht krachtvoer (inclusief CO2-emissies door landgebruiksverandering, zoals ontbossing voor sojateelt) en de productie van meststoffen.
In de rest van dit artikel presenteren we de koolstofvoetafdrukberekening van een Vlaams vleesveebedrijf met Belgisch Wit-Blauwe runderen over het jaar 2024. De emissies van CO2, CH4 en N2O werden afzonderlijk berekend en vervolgens geaggregeerd tot één indicator: het CO2-equivalent (CO2-eq). Hiervoor worden methaan- en lachgasemissies vermenigvuldigd met hun respectievelijke GWP100-factor (“Global Warming Potential”), die aangeeft hoeveel warmte deze gassen over een periode van 100 jaar vasthouden in vergelijking met CO2. Biogeen methaan heeft een GWP100-factor van 27,0; terwijl lachgas een factor van maar liefst 273,0 heeft [2]. Een belangrijke kanttekening hierbij is het biogene en kortlevende karakter van methaan, meer toelichting hierover in de sectie “Wat met methaan?” verderop in dit artikel.
De totale uitstoot van broeikasgassen in 2024, uitgedrukt in CO2-eq, werd finaal gedeeld door de totale hoeveelheid levend gewicht die het bedrijf verliet. Zo bekomt men een koolstofvoetafdruk van kg CO2-eq/kg levend gewicht (LG). Naast het voorbeeldbedrijf werd ook een alternatief (hypothetisch) scenario doorgerekend, met een meer grondgebonden bedrijfsvoering en het gebruik van ontbossingsvrije voeders. Daarbij werd eveneens de impact op het bedrijfssaldo meegenomen.
Voorbeeldbedrijf
Yves Gericke runt samen met zijn vrouw Sylvia Luyckx de Vloeikenshoeve, een vleesveebedrijf met ongeveer 200 runderen van het Belgisch Wit-Blauwe ras. De hoeve ligt in een landelijke omgeving in Wuustwezel, in het noorden van België. Het betreft een volledig gesloten bedrijf waarin zowel stieren als koeien worden gehouden en afgemest. De koeien grazen ruim zeven maanden per jaar op blijvend grasland. Yves en Sylvia streven naar een maximale zelfvoorzienendheid in zowel ruwvoeders als krachtvoeders.
Gegevens over de veestapel werden automatisch ingelezen via een Sanitel-koppeling. Ook het teeltplan werd automatisch opgehaald door het inlezen van de verzamelaanvraag. In 2024 omvatte dit een totale oppervlakte van 55 ha, bestaande uit grasland (20,5 ha), grasklaver (14 ha), snijmaïs (10 ha), korrelmaïs (1,3 ha als MKS), voederbieten (1,1 ha), rogge (4,6 ha) spelt (2 ha) en wintergerst (1,5 ha). Er wordt gestreefd naar twee teelten per jaar, wat goed haalbaar is dankzij het gebruik van verschillende tussenteelten (onder andere gras en snijrogge).
In de berekeningen werd een onderscheid gemaakt tussen rantsoenen voor negen diergroepen: kalveren tot 90 dagen, kalveren tot 180 dagen, stierkalveren tot 12 maanden, vrouwelijke kalveren tot 12 maanden, stierkalveren tot 15 maanden, afmeststieren, zoogkoeien tot 26,7 maanden, zoogkoeien tot 41 maanden en afmestzoogkoeien.
Het rantsoen van de jongste kalveren tot 180 dagen bestond uit grashooi, snijmaïs, gerst, sojaschroot, spelt en mineralen. In de opfokfase tot 15 maanden werd grashooi vervangen door graskuil, spelt door rogge en MKS (enkel voor de mannelijke dieren), en werd bijkomend bietenperspulp verstrekt. Het vrouwelijk fokvee vanaf 12 maanden ging buiten grazen waarvan de drachtige vaarzen nog silomais bijgevoederd kregen. In de afmestfase van zowel stieren als koeien (gemiddeld 100 dagen) werden tot slot lijnzaadschilfers bijgevoederd.
In 2024 werden in totaal 36 stieren en 30 zoogkoeien naar het slachthuis afgevoerd, met een gemiddeld levend gewicht van respectievelijk 720 kg en 848 kg. De gemiddelde slachtleeftijd van de stieren lag rond de 20 maanden. Bij de zoogkoeien was hier een grotere spreiding, in functie van het aantal keren dat een koe een kalf had. De gemiddelde afvoerleeftijd van de zoogkoeien was 46 maanden, met variaties tussen 35 en 60 maanden.
Resultaten en bespreking
Voorbeeldbedrijf
Het voorbeeldbedrijf had in 2024 een totale emissie van 16,2 kg CO2-eq per kg levend gewicht dat het bedrijf verliet. Enterische fermentatie was verantwoordelijk voor 7,4 kg CO2-eq/kg LG (45%), gevolgd door mestmanagement met 3,4 kg CO2-eq/kg LG (21%), eigen teelt voer met 2,9 kg CO2-eq/kg LG (18%), aangekocht voer met 2,2 kg CO2-eq/kg LG (14%) en energieverbruik met 0,3 kg CO2-eq/kg LG (2%).
In het stroomdiagram hieronder worden de emissiebronnen via subcategorieën gekoppeld aan de verschillende broeikasgassen. Nagenoeg alle methaanemissies zijn afkomstig van enterische fermentatie. De methaanemissies uit mestopslag blijven zeer beperkt door het gebruik van een potstal. Dit systeem kent meer aerobe omstandigheden dan een drijfmestkelder, waardoor er minder methaan wordt gevormd dan bij typische melkveebedrijven (zie ook onze vorige publicatie).
Binnen het mestmanagement ontstaan wel lachgasemissies door vervluchtiging, en worden daarnaast CO2-emissies toegerekend aan de productie van stro dat als strooisel wordt gebruikt. Onder de categorie eigen teelt vallen lachgasemissies als gevolg van het gebruik van (kunst)mest en CO2-emissies door het gebruik van brandstoffen tijdens het landwerk. Bij aangekochte voeders worden CO2-emissies meegerekend die voortkomen uit landgebruikswijzigingen (zoals ontbossing, voornamelijk voor de productie van sojaschroot) en uit het gebruik van fossiele brandstoffen.
In de onderstaande grafiek wordt de bijdrage weergegeven van een gemiddeld dier binnen een specifieke rantsoengroep, waarbij de emissies over een volledig jaar worden opgeteld. De stijgende emissies bij toenemende leeftijd vallen op. Dit is het gevolg van de toenemende voederintensiteit naarmate de runderen ouder worden, waarbij vooral de laatste afmestfase een grote impact heeft.
Alternatieve scenario
Naast het voorbeeldbedrijf werd een alternatief (hypothetisch) scenario doorgerekend dat nog meer grondgebonden is. In het teeltplan werd de 4,6 ha rogge vervangen door een mengteelt van triticale met veldbonen. Deze teelt heeft geen stikstofhoudende kunstmest nodig, omdat de veldbonen zelf stikstof fixeren als vlinderbloemigen. Klavers vervullen deze rol in het grasland, waardoor ook daar kunstmest kan worden vermeden en het eiwitgehalte toch op peil blijft.
Daarnaast kan de eiwitaanvoer van buiten het bedrijf worden verminderd, omdat de veldbonen zowel zetmeel- als eiwitrijk zijn. Zodoende werd het aandeel sojaschroot in de rantsoenen gehalveerd en vervangen door raapzaadschroot. Door zonnebloemen in de maïs te integreren, kan ook het vetgehalte van de snijmais worden verhoogd, waardoor in de afmestfase met relatief minder lijnzaadschilfers toch voldoende vetvoorziening behouden blijft. Kortom, de technische prestaties blijven op peil door bloeiende en functionele gewassen in te zetten. Dit verhoogt bovendien de biodiversiteit en kan het landschap opfleuren, wat positief kan afstralen op het welzijn van zowel de boer en boerin als de samenleving.
Het alternatieve scenario resulteert in een emissie van 14,9 kg CO2-eq/kg LG, een daling van 8,2% ten opzichte van het voorbeeldbedrijf (16,2 kg CO2-eq/kg LG). Mogelijk zijn verdere reducties haalbaar, bijvoorbeeld door het volledig weglaten van sojaschroot uit ontboste gebieden. Als de soja deels wordt vervangen door bierdraf (een bijproduct met een lage CO2-voetafdruk) zal de koolstofvoetafdruk nog verder dalen. Ook zuiniger omgaan met stikstof in de mest, bijvoorbeeld door zeolieten in voer of strooisel op te nemen, kan de ammoniakemissie verlagen en zo de lachgasproductie verminderen.
Het halveren van het aandeel sojaschroot en het vervangen door raapzaadschroot levert een daling van 38% op in de categorie aangekochte voer. Daarnaast daalt de categorie eigen teelt voer met 17% door minder kunstmestgebruik op grasland en de introductie van de mengteelt triticale met veldbonen.
De totale voerkosten (aankoop en eigen geteeld voer) van het voorbeeldbedrijf bedroegen €123.565, tegenover €119.164 voor het alternatieve scenario. Naast een daling van de broeikasgasemissies met 8,2% levert dit scenario ook een stijging van het bedrijfssaldo van €4.400 op.
Vergelijking met literatuurwaarden
Op de Vloeikenshoeve is voor 2023 ook een klimaatscan uitgevoerd via DECiDE, een tool ontwikkeld door het Waals Centrum voor Landbouwonderzoek (CRA-W) [3]. De score (exclusief aftrek van koolstofvastlegging in de bodem) was 16,6 kg CO2-eq/kg levend gewicht (LG), wat nauw aansluit bij onze berekening van 16,2 kg CO2-eq/kg LG voor 2024. In hetzelfde rapport wordt als mediaan voor de Belgische sector 18,7 kg CO2-eq/kg LG gerapporteerd. Een studie van de UCLouvain uit 2019 geeft een voetafdruk voor de Belgisch Wit-Blauwe sector tussen 15,0 en 20,5 kg CO2-eq/kg LG [4].
Het is interessant om ook internationaal te vergelijken, al is dit moeilijk vanwege verschillen in methodologieën: functionele eenheden variëren (per kg levend gewicht of per kg karkas), parameters en rekenmodellen veranderen doorheen de tijd (zoals de GWP100-conversiefactoren) en de systeemgrenzen verschillen (bijvoorbeeld het al dan niet meenemen van koolstofopslag in de bodem).
In een literatuurstudie uit 2019 werden 22 wetenschappelijke papers over diverse runderrassen wereldwijd vergeleken. Na harmonisatie van de berekeningen lag de voetafdruk tussen 10,0 en 32,4 kg CO2-eq/kg LG, met een gemiddelde van 16,8 kg CO2-eq/kg LG [5]. Ons voorbeeldbedrijf met een footprint van 16,2 kg CO2-eq/kg LG scoort dus relatief goed vergeleken met de rest van de wereld, en het kan mits enkele ingrepen nog beter.
Wat met methaan?
Bij de uitstoot van CO2 (uit fossiele brandstoffen) en lachgas hopen deze broeikasgassen zich op in de atmosfeer en blijven daar honderden jaren aanwezig. Zolang er emissies van deze gassen plaatsvinden, blijft de mondiale temperatuur verder stijgen. Dit betekent dat de netto-uitstoot van CO2 en lachgas uiteindelijk naar nul moet worden teruggebracht om verdere opwarming te stoppen.
Methaan heeft een fundamenteel ander karakter. Het wordt in de atmosfeer binnen circa 12,5 jaar grotendeels afgebroken tot CO2, die bij een stabiele veestapel opnieuw door planten wordt vastgelegd en als ruwvoer door het vee wordt opgenomen. Daarmee wordt de biogene kringloop gesloten en leidt een constante methaanuitstoot niet tot een voortdurende accumulatie van broeikasgassen, in tegenstelling tot CO2 en lachgas.
Dit onderscheid wordt onvoldoende weerspiegeld in de maatstaf GWP100 (Global Warming Potential over 100 jaar). Deze behandelt methaan impliciet als een “stapelend” gas, waardoor bij constante of dalende methaanemissies de daadwerkelijke bijdrage aan opwarming wordt overschat. Tegelijkertijd wordt bij stijgende methaanemissies de opwarming juist onderschat. Hoewel GWP100 door het IPCC wordt aanbevolen en breed wordt toegepast, kent deze maatstaf duidelijke beperkingen voor het beoordelen van kortlevend methaan [6].
In studie [5] is daarom ook gebruikgemaakt van een alternatieve indicator: GTP100 (Global Temperature Potential), die directer de bijdrage van emissies aan temperatuurverandering na 100 jaar weergeeft. Deze maatstaf sluit beter aan bij het kortlevende en biogene karakter van methaan uit de veehouderij. Toegepast op de onderzochte systemen resulteerde dit in een gemiddelde voetafdruk van 5,99 kg CO2-eq/kg LG, wat 64% lager is dan berekend met GWP100.
Daarnaast werden in dezelfde studie ook intensieve productiesystemen met een hoog aandeel krachtvoer (“feedlot”-systemen) vergeleken met extensieve, grasgevoerde systemen. Onder GWP100 hebben grasgevoerde systemen doorgaans een hogere klimaatvoetafdruk, voornamelijk door een hogere methaanemissie als gevolg van de vertering van ruwe celstof. Wanneer echter GTP100 wordt toegepast, blijkt de voetafdruk van extensieve systemen vaak lager uit te vallen [5].
Conclusie
Dit artikel presenteert de uitbreiding van Farmdesk Climate naar de vleesveesector aan de hand van een casestudy op de Vloeikenshoeve, een vleesveebedrijf met Belgisch Wit-Blauwe runderen in Wuustwezel (België). De analyse over 2024 toont dat het voorbeeldbedrijf een koolstofvoetafdruk heeft van 16,2 kg CO2-equivalent per kilogram levend gewicht. Vergeleken met sectorgenoten is dit een relatief lage footprint.
In een alternatief (hypothetisch) scenario, waarbij rogge werd vervangen door een triticale-veldbonen mengteelt en het aandeel sojaschroot in het rantsoen werd gehalveerd ten gunste van raapzaadschroot, daalde de voetafdruk met 8,2%. Tegelijkertijd zou het bedrijfssaldo met €4.400 stijgen dankzij lagere voerkosten.
"Farmdesk Climate bewijst hiermee een efficiënte tool te zijn om zowel de klimaatimpact als de technisch-economische haalbaarheid van reductiestrategieën te onderzoeken. Dit is essentieel om de vleesveesector in de toekomst zijn maatschappelijke en economische positie te laten behouden binnen een duurzaam voedselsysteem."
Jef Aernouts
Methaanuitstoot uit de veehouderij vraagt speciale aandacht vanwege het fundamenteel andere gedrag ten opzichte van CO₂ en lachgas. Reductie van methaanemissies kan op korte termijn bijdragen aan het beperken van opwarming, maar mag geen vervanging zijn voor CO2-reducties, die op de lange termijn essentieel blijven. Voor een zorgvuldige beoordeling van klimaateffecten is het wenselijk om emissies van individuele broeikasgassen afzonderlijk te interpreteren. In vervolgonderzoek zal Farmdesk hier verder op ingaan.
Referenties
- Leip, A., Weiss, F., Wassenaar, T., Perez, I., Fellmann, T., Loudjani, P., Tubiello, F., Grandgirard, D., Monni, S., & Biala, K. (2010). Evaluation of the livestock sector’s contribution to the EU greenhouse gas emissions.
- IPCC Assessment Report 6 (2024), https://www.ipcc.ch/report/ar6/wg1/chapter/chapter-7/ sectie 7.6.1.1
- https://decide.cra.wallonie.be/
- Riera, A., Antier, C., & Baret, P. (2019). Study on Livestock scenarios for Belgium in 2050. UCLouvain
- Lynch, J. (2019). Availability of disaggregated greenhouse gas emissions from beef cattle production: A systematic review. In Environmental Impact Assessment Review (Vol. 76, pp. 69–78).
- Pierrehumbert, R. T., & Eshel, G. (2015). Climate impact of beef: An analysis considering multiple time scales and production methods without use of global warming potentials. Environmental Research Letters, 10(8).





